Postcontractueel non-concurrentiebeding: Onmisbaar voor bescherming Knowhow?

Gepubliceerd op , door De Nationale Franchise Gids

Met de invoering van de Wet franchise is het gebruik van een postcontractueel non-concurrentiebeding verder aan banden gelegd. In dit artikel bespreek ik de eisen die de wet aan het opnemen van een dergelijk beding stelt. Ook bespreek ik hoe een rechter in kort geding recentelijk aan de hand van dit nieuwe wettelijke kader heeft geoordeeld over beroep door een franchisegever op een non-concurrentiebeding en een relatiebeding. Ik sluit af met wat tips ten aanzien van het gebruik van non-concurrentiebedingen.
Doel en rechtvaardiging van een non-concurrentiebeding

Door middel van een non-concurrentiebeding beperk je als franchisegever je (oud)franchisenemer in zijn doen en laten. De rechtvaardiging voor het opleggen van dergelijke beperkingen is gelegen in de bescherming van de knowhow binnen een franchiseformule.

De franchisegever draagt allerlei knowhow over aan zijn franchisenemers bij hun toetreden tot de formule en gedurende de franchiserelatie. Dat wil een franchisegever niet doen als zijn franchisenemers vervolgens met gebruikmaking van die informatie met hem kunnen gaan concurreren. Om de franchisegever in staat te stellen om zijn knowhow ‘veilig’ over te dragen aan zijn franchisenemers, nemen veel franchiseorganisaties in hun franchiseovereenkomst een postcontractueel non-concurrentiebeding op.

Dat was toegestaan en blijft ook toegestaan onder de Wet franchise, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

Wettelijke regeling postcontractueel non-concurrentiebeding (art. 7:920 lid 2 BW)

Een beding dat de franchisenemer beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de franchiseovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn, is slechts geldig als aan de volgende vijf voorwaarden is voldaan:

  1. Het beding is op schrift gesteld;
  2. De beperking tot uitoefening van werkzaamheden enkel betrekking heeft op goederen of diensten die concurreren met de goederen of diensten waarop de franchiseovereenkomst betrekking heeft;
  3. De beperking onmisbaar is om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen;
  4. Het de duur van een jaar na het einde van de franchiseovereenkomst niet overschrijdt; en
  5. De geografische reikwijdte niet ruimer is dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de franchiseformule op grond van de betreffende franchiseovereenkomst heeft geëxploiteerd.
Knowhow

Met invoering van de Wet franchise is voor franchiseovereenkomsten de koppeling tussen bescherming van knowhow en de geldigheid van een postcontractueel non-concurrentiebeding in de wet verankerd. De Wet franchise geeft daarbij ook een definitie van knowhow. Die luidt als volgt: “een geheel van niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermde praktische informatie voortvloeiend uit de ervaring van de franchisegever en uit de door hem uitgevoerde onderzoeken, welke informatie geheim, wezenlijk en geïdentificeerd is”.

Uit de hierna te bespreken uitspraak, blijkt dat de koppeling met knowhow mogelijk veel meer nadruk zal krijgen en dat een beroep op een post-contractueel non-concurrentiebeding spaak kan lopen als niet kan worden aangetoond dat überhaupt knowhow is overgedragen.

Overdracht knowhow

In een kort geding procedure waarin op 24 februari 2021 uitspraak is gedaan, verlangt de franchisegever nakoming van een postcontractueel non-concurrentiebeding en een postcontractueel relatiebeding opgenomen in de franchiseovereenkomst.

Omdat dergelijke bedingen volgens de rechter de veilige overdraagbaarheid van knowhow door franchisegever aan franchisenemer tot doel hebben, moet volgens de rechter eerst de vraag beantwoord worden of sprake is geweest van overdracht van knowhow aan franchisenemer.

De franchisegever stelt zich op het standpunt dat zij informatie heeft versterkt die aangemerkt kan worden als knowhow. De voorzieningenrechter oordeelt anders. De verstrekte informatie is volgens de rechter wellicht nuttig, handig en vergemakkelijkt de exploitatie van de vestiging van de franchisenemer, maar dat maakt nog niet dat  sprake is van knowhow. Daarvoor moet de informatie uniek en/of geheim zijn. Dat is niet het geval indien de informatie (zoals hier volgens de rechter het geval was) voor het publiek algemeen toegankelijk is, dan wel op andere wijze eenvoudig kan worden verkregen.

Wil je als franchisegever (in rechte) een beroep kunnen doen op een postcontractueel non-concurrentiebeding? Zorg dan dat je aan kunt tonen welke informatie je hebt overgedragen en dat je kunt onderbouwen dat en waarom dit knowhow is; unieke/geheime, wezenlijke en identificeerbare informatie.

Onmisbaarheid non-concurrentiebeding voor bescherming knowhow

Is  door de franchisegever knowhow overgedragen aan de franchisenemer? Dan ben je er nog niet. Artikel 7:920 lid 2 BW stelt immers als vereiste dat de beperking (het non-concurrentiebeding) onmisbaar is om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen.

Hoewel de voorzieningenrechter in de uitspraak van 24 februari 2021 niet direct over het vereiste van onmisbaarheid spreekt, neem ik aan dat hij daar wel op doelt met de overweging ten overvloede die hij aan het einde van de uitspraak geeft. De rechter benoemt namelijk dat zelfs als bepaalde informatie als knowhow aangemerkt zou kunnen worden, de franchisegever onvoldoende onderbouwd heeft dat haar belang bij die bescherming van die knowhow tot toewijzing van haar vordering zou moeten leiden. De rechter vervolgt dan dat de franchisenemer tot geheimhouding verplicht is vanwege een geheimhoudingsbeding. Daardoor mag de franchisenemer de knowhow alleen zelf gebruiken. Omdat de franchisegever niet heeft onderbouwd dat en waarom gebruik van de knowhow door franchisenemer voor eigen gebruik nadeel toebrengt aan franchisegever, heeft de franchisegever volgens de rechter haar belang bij naleving van het non-concurrentiebeding en relatiebeding onvoldoende onderbouwd.

Ik vind deze overweging en de link met het geheimhoudingsbeding wat ongelukkig. Een geheimhoudingsbeding heeft een ander doel dan een non-concurrentiebeding. Het non-concurrentiebeding heeft immers (ook) voorkoming van misbruik door franchisenemer zelf tot doel, doordat hij met de franchisegever gaat concurreren. De overweging van de rechter toont echter wel aan, dat je als franchisegever niet alleen zult moeten aantonen dat je knowhow hebt overgedragen, maar ook dat je het (beroep op het) non-concurrentiebeding nodig hebt om die knowhow te beschermen.

Tips
  1. Zorg dat het postcontractueel non-concurrentiebeding is opgenomen in de franchiseovereenkomst en qua formulering voldoet aan de vereisten van artikel 7:920 lid 2 BW;
  2. Als je in rechte een beroep op het postcontractuele non-concurrentiebeding wil doen, toon dan aan dat je knowhow hebt overgedragen;
  3. Motiveer waarom het non-concurrentiebeding van belang is om de veilige overdracht van die knowhow mogelijk te maken.
Team Franchise LXA


Binnen Team Franchise houden onze advocaten (met meer dan 25 jaar specialistische ervaring), ieder met hun eigen specialiteit, zich bezig met franchise. Heeft u een gerichte vraag aan de auteur van dit artikel neem dan contact op met Andrea van den Heuvel (advocaat LXA). Kunnen wij u ergens anders mee van dienst zijn? Stuur een bericht naar: Franchise@lxa.nl

Delen:

Gerelateerde artikelen

Laatste franchisenieuws

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.