De Wet Franchise: wat zijn de belangrijkste gevolgen?

Gepubliceerd op , door De Nationale Franchise Gids

De Tweede Kamer heeft op 16 juni 2020 ingestemd met het wetsvoorstel de Wet Franchise, inclusief de twee ingediende amendementen. De Tweede Kamer heeft naar aanleiding van deze amendementen het wetsvoorstel aangepast en het gewijzigde wetsvoorstel doorgestuurd naar de Eerste Kamer. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 30 juni 2020 aangenomen. De Wet Franchise treedt per 1 januari 2021 in werking. Herman Knotter, franchise-advocaat bij LXA The Law Firm, zet de belangrijkste gevolgen voor u op een rij.

De Wet Franchise legt de nadruk op vier onderdelen van de franchiserelatie, met als doel het creëren van meer evenwicht in de verhouding tussen franchisegever en franchisenemer. Deze onderdelen zijn:

  1. de precontractuele uitwisseling van informatie;
  2. de tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst;
  3. het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers;
  4. de beëindiging van de franchisesamenwerking.

De Wet Franchise benoemt ook diverse verplichtingen en rechten voor franchisegevers en franchisenemers. Hieronder zet ik de belangrijkste onderwerpen (en gevolgen) van de Wet Franchise voor u uiteen.

De precontractuele uitwisseling van informatie

In de Wet Franchise zijn uitgebreide informatieverplichtingen opgenomen voor de franchisegever. De franchisegever moet voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst alle informatie verstrekken aan de kandidaat-franchisenemer, waarvan de franchisegever weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die van belang is voor het besluit van de franchisenemer om de franchiseovereenkomst al dan niet aan te gaan. Zo heeft de franchisegever onder meer de verplichting tot het verstrekken van historische (financiële) vestigingsplaatsgegevens, voor zover deze redelijkerwijs beschikbaar zijn. Volgens de toelichting op de Wet Franchise, ziet deze verplichting niet op het verstrekken van een prognose.

De franchisegever dient in ieder geval de volgende informatie met de kandidaat-franchisenemer te delen:

  • de concept-franchiseovereenkomst inclusief bijlagen;
  • een overzicht met toelichting van de investeringen die de franchisenemer moet doen of de door hem te betalen vergoedingen, opslagen of andere financiële bijdragen;
  • informatie over de wijze waarop het overleg tussen franchisegever en franchisenemers plaatsvindt alsmede hoe vaak dit overleg dient plaats te vinden;
  • een overzicht met de contactgegevens van het vertegenwoordigende orgaan van de franchisenemers;
  • informatie over de mate waarin en wijze waarop de franchisegever, al dan niet via een afgeleide formule, in concurrentie mag treden met de franchisenemer;
  • informatie over de financiële positie van de franchisegever; en
  • financiële informatie over de beoogde locatie waar de nieuwe franchisenemer actief zal worden, of, bij gebreke daaraan, informatie van vergelijkbare franchisevestigingen.

Ook de franchisenemer heeft een informatieplicht. De franchisenemer moet onder andere openheid van zaken geven over zijn financiële situatie, zodat de franchisegever kan inschatten of de franchisenemer de noodzakelijke investering kan doen.

Bedenktijd:

De precontractuele informatieverplichting heeft mede als doel om ervoor te zorgen dat de franchisenemer niet instemt met een franchiseovereenkomst waarvan hij onvoldoende de inhoud en uitwerking van de opgenomen verplichtingen, alsmede de risico’s, kan overzien. Om deze reden bepaalt de Wet Franchise dat er vier weken tussen het moment van ontvangst van alle informatie en het moment van het sluiten van de franchiseovereenkomst dient te zitten. Gedurende deze periode (de stand-still periode) mag de concept-franchiseovereenkomst niet worden gewijzigd ten nadele van de franchisenemer. In deze periode mogen ook geen investeringen of andere betalingen met het oog op de aanstaande franchiserelatie van de franchisenemer worden gevraagd. Tijdens deze periode mogen (contractueel) geen wijzigingen worden doorgevoerd ten nadele van de kandidaat- franchisenemer. Van deze franchisenemer-kandidaat wordt in deze periode verwacht dat hij op onderzoek uitgaat. De franchisenemer-kandidaat heeft een eigen verantwoordelijkheid om te voorkomen dat hij op basis van onjuiste en/of te rooskleurige aannames een overeenkomst aangaat.

Informatieverplichting tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst:

Tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst dient de franchisegever alle informatie te verstrekken, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze van belang is voor het uitvoeren van de franchiseovereenkomst. De franchisegever dient in dat kader de franchisenemer in ieder geval tijdig te informeren over:

  • voorgenomen wijzigingen van de franchiseovereenkomst;
  • van de franchisenemer te verlangen investeringen;
  • een besluit tot gebruik van een afgeleide formule, met een overzicht van de inhoud en strekking van deze formule;
  • de aanwending van de financiële bijdragen die franchisenemers hebben betaald.

Wijze verstrekking informatie:

De franchisegever dient de informatie, zoals genoemd onder punt 1 en 3, op een zodanige manier te verstrekken, dat die informatie toegankelijk is en blijft voor de andere partij gedurende de periode met het oog waarop de informatie is verstrekt. De informatie dient daarnaast voor de gemiddelde franchisenemer binnen de betreffende franchiseformule duidelijk, begrijpelijk en ondubbelzinnig geformuleerd en vormgegeven te zijn.

Overleg en instemming:

Er dient minstens eenmaal per jaar overleg plaats te vinden tussen de franchisegever en de franchisenemer. Daarnaast komt de franchisenemer een instemmingsrecht toe, indien de franchisegever de franchiseformule wil wijzigen dan wel een afgeleide formule wil exploiteren zonder hiertoe de franchiseovereenkomst te wijzigen, én de franchisenemer met het oog hierop:

  • een investering moet doen;
  • een vergoeding, opslag of andere financiële bijdrage moet betalen;
  • andersoortige kosten voor zijn rekening dient te nemen; of
  • omzetderving leidt.

Deze instemmingsplicht houdt in dat een instemming nodig is van ofwel een meerderheid van de in Nederland gevestigde franchisenemers ofwel van elk van de in Nederland gevestigde franchisenemers die op enige wijze zoals hiervoor genoemd geraakt worden. De franchisegever bepaalt welke instemming van toepassing is.

De franchiseovereenkomst kan ook drempelwaarden bevatten. De franchisegever hoeft in dat geval pas instemming van de franchisenemers te hebben indien de voorgestelde aanpassingen in financieel opzicht de drempelvoorwaarden te boven gaan. De drempelwaarden dienen voor het aangaan van de franchiseovereenkomst te worden bepaald.

Non-concurrentiebeding:

Het post-contractuele non-concurrentiebeding beperkt de franchisenemer om na afloop van de franchiserelatie bepaalde concurrerende activiteiten uit te oefenen. De reikwijdte van een dergelijk beding wordt beperkt tot:

  • hetgeen noodzakelijk is voor de bescherming van de knowhow, concurrerende goederen of diensten;
  • een periode van maximaal één jaar na afloop van de franchiseovereenkomst; en
  • het gebied waarbinnen de franchisenemer de formule mocht exploiteren.

Goodwill:

De franchiseovereenkomst dient te voorzien in een vergoeding van opgebouwde goodwill, voor zover die in redelijkheid aan de franchisenemer toe te rekenen is. Het moet voor de franchisenemer duidelijk zijn of er sprake is van goodwill en zo ja, op welke manier deze goodwill wordt vastgesteld.

Dwingend recht:

De Wet Franchise is van dwingend recht en is verplicht voor alle franchisegevers waarvan de franchisenemers in Nederland gevestigd zijn. Er mag niet ten nadele van deze franchisenemers worden afgeweken van de Wet Franchise. Een uitzondering wordt gemaakt voor franchisenemers die niet in Nederland zijn gevestigd. Voor deze groep franchisenemer kan worden afgeweken van de Wet Franchise, ook in het geval de franchisegever wel in Nederland is gevestigd en/of het Nederlands recht van toepassing is verklaard op de franchiseovereenkomsten.

Overgangsrecht:

Zodra de Wet Franchise van kracht is moeten alle franchisegevers en franchisenemers zich confirmeren aan deze wet. Ook de franchiseovereenkomsten dienen aan de Wet Franchise te voldoen. Tot 1 januari 2023 geldt een overgangsperiode voor bestaande franchiseovereenkomsten ten aanzien van specifieke bepalingen, waaronder het instemmingsrecht, de goodwill en het non-concurrentiebeding. De franchiseorganisaties krijgen voor wat betreft de ‘bestaande’ franchiseovereenkomsten aldus een termijn van twee jaar om hun franchiseovereenkomst aan te passen. Voor de franchiseovereenkomsten die vanaf 1 januari 2021 worden gesloten geldt deze overgangsregeling niet. Vanaf 1 januari 2023 moeten alle franchiseovereenkomsten aan de Wet Franchise voldoen.

Ondanks het feit dat er sprake is van een overgangsregeling komt de invoering van de Wet Franchise per 1 januari 2020 er feitelijk op neer dat alle franchiseorganisaties zich een oordeel moeten vormen over de (mogelijke) gevolgen van de Wet Franchise voor hun organisatie. Per deze datum is de Wet Franchise immers integraal van toepassing. Tevens moeten de bestaande franchiseovereenkomsten worden aangepast indien de franchisegever voornemens is na 1 januari 2021 nieuwe franchisenemers aan te sluiten. Voor een aantal organisaties zal de noodzaak tot aanpassing beperkt zijn, maar de Wet Franchise bevat ook een aantal bepalingen/verplichtingen die mogelijk wel (ingrijpende) aanpassingen vergen. Gedacht kan worden aan de bepalingen inzake het verplicht opnemen van een  goodwill-regeling, het instemmingsrecht (wel/niet bepaalde drempels opnemen?), de reikwijdte van het non-concurrentiebeding (wanneer beperk je een franchisenemer?) en de inrichting van een overlegorgaan.

Meer weten over de Wet Franchise? Aarzel dan niet om contact met mij op te nemen.

Herman Knotter/Shaghayegh Molawi
(073) 700 36 00
hermanknotter@lxa.nl

Delen:

Gerelateerde artikelen

Laatste franchisenieuws

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

skyscraper-banner-website
franchise-season-art-class