Mijn favorieten

Er zijn nog geen favoriete franchiseformules geselecteerd

Knowhow is inherent aanwezig bij franchiseformule volgens rechtbank Assen

In de afgelopen periode zijn door meerdere (voorzieningen)rechters van verschillende rechtbanken vonnissen gewezen waarin franchisegevers een beroep op een contractueel concurrentieverbod wordt ontzegd, omdat niet aangetoond werd dat er in de formule knowhow werd overgedragen aan de franchisenemers. In deze vonnissen wordt verwezen naar de vaste jurisprudentie, waarin is vastgelegd dat de franchisegever alleen aanspraak kan maken op een postcontractueel concurrentieverbod als aangetoond kan worden dat knowhow aanwezig is in de formule en dat deze overgedragen is aan de franchisenemer, waarvan nakoming van het concurrentieverbod gevorderd wordt. Daarbij wordt telkenmale aangesloten bij de definities die zijn vastgelegd in de Wet franchise. Hierin worden de definities uit onder meer de Europese Erecode inzake Franchising en de Nederlandse Franchise Code en de (Europese) mededingingswetgeving gecodificeerd. Deze wetsbepalingen gaan zelfs nog een stap verder en stellen vast dat er niet alleen sprake moet zijn van aan de franchisenemer overgedragen knowhow, maar dat daarnaast het concurrentieverbod onmisbaar is voor de bescherming van deze knowhow.

In een groot aantal van de vonnissen wordt de franchisegever in het ongelijk gesteld. De indruk kan hierdoor ontstaan dat de lat voor franchisegevers, om een beroep op nakoming van een concurrentieverbod, heel hoog ligt. De franchisegever zou onomstotelijk moeten aantonen dat er knowhow binnen haar formule aan de franchisenemers wordt overgedragen en alleen dan komt de franchisegever een aanspraak op een postcontractueel concurrentieverbod toe. Dat zou betekenen dat het moeten nakomen van een concurrentieverbod, dat in verschillende vormen in vrijwel alle franchiseovereenkomsten is opgenomen, eerder uitzondering dan regel is. Daarmee zouden franchisenemers een vrijbrief krijgen om na beëindiging van de franchiseovereenkomst de franchisegever en haar formule onbeperkt te beconcurreren. In feite leidt een franchisegever in die gevallen haar eigen concurrent op. Er zullen weinig franchisegevers zijn die op die manier de achterdeur willen laten openstaan.

Recentelijk werd er echter een andersluidend vonnis gewezen door de voorzieningenrechter van de de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen d.d. 25 november 2021[1]. Deze geeft tegengewicht aan eerdere jurisprudentie nu het beroep van de franchisegever op een postcontractueel concurrentieverbod wel werd toegewezen.

In de uitspraak heeft de franchisegever gemotiveerd betoogd dat haar formule, waarin financiële diensten op het gebied van bedrijfsfinanciering worden verleend, een grote mate van knowhow bevat die ten tijde van de samenwerking met de franchisenemer is overgedragen. De voorzieningenrechter heeft dat vooralsnog aannemlijk geacht en de vorderingen van de franchisenemer tot vernieting, dan wel opschorting van de contractuele bepalingen afgewezen.

Belangrijk is dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling heeft betrokken dat de franchisegever heeft betoogd dat tussen partijen in confesso is dat zij een franchiseovereenkomst met elkaar hebben gesloten. Volgend uit de definities van de Wet franchise is knowhow een onlosmakelijke voorwaarde voor een franchiseformule. De voorzieningenrechter zegt hierover: “Gezien het feit dat tussen partijen niet in geschil is dat zij een franchiseovereenkomst hebben gesloten en aanwezigheid van know-how sowieso inherent is aan een franchiseformule, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog niet in dat er in het geheel geen sprake zou zijn van know-how […]” Voor een defintief oordeel over de aanwezigheid van knowhow en de mogelijke consequenties hiervan verwijst de voorzieningenrechter partijen naar de lopende bodemprocedure.

De voorzieningenrechter lijkt hiermee de weegschaal weer in evenwicht te brengen. De aanwezigheid van knowhow en de aanspraak van een franchisegever op een postcontractueel non-concurrentiebeding blijft daarmee het uitgangspunt. Alleen als voldoende aannemelijk is dat er geen knowhow overgedragen is, kan er sprake zijn van uitzondering hierop en in die uitzonderingssituatie kan een beroep op nakoming van het concurrentieverbod aan de franchisegever ontzegd worden. De bewijslast lijkt daardoor weer te liggen bij de franchisenemer die onder een concurrentieverbod uit wil en niet bij de franchisegever die aanspraak maakt op contractuele afspraken.

Mr. T. Meijer – Ludwig & Van Dam Franchise advocaten, franchise juridisch advies.

Wilt u reageren? Ga naar meijer@ludwigvandam.nl

[1] Ten tijde van het schrijven van deze column was de uitspraak (nog) niet gepubliceerd.